Maak een Quiz. Het academische vak waarvoor de tekst moet worden gemaakt - Duits. Inhoud moet geschikt zijn voor Jaar of Graad 11. Vereist o...
Wat te makenQuiz
Welk vakDuits
Welke leeftijdsgroepJaar of Graad 11
Welk onderwerpHaben en sein
Soorten vragenGemengd
Aantal vragen15
Aantal antwoorden4
Juiste antwoordenPrecies 1
Toon juiste antwoorden
Gebruik afbeeldingen (beschrijvingen)
Andere voorkeuren

Duits Quiz: Haben en Sein

Naam: ____
Datum: ____

Beantwoord de volgende vragen over de werkwoorden "haben" en "sein".

Vragen

  1. Wat is de persoonlijk voornaamwoordelijk vorm van "haben" in de eerste persoon enkelvoud?

    • Antwoord: ____
  2. Welke van de volgende zinnen gebruikt "sein" correct? A. Ich habe ein Buch.
    B. Du bist müde.
    C. Wir haben Spaß.
    D. Sie habt ein Problem.

  3. Vul de lege plaats in met de juiste vorm van "sein": "Er _____ mein Freund."

    • Antwoord: ____
  4. Wat is de verleden tijd van "haben" in de derde persoon enkelvoud? A. Hatte
    B. Haben
    C. Hat
    D. Hatten

  5. Welk van de volgende werkwoorden betekent "zijn" in het Duits? A. Haben
    B. Sein
    C. Werden
    D. Sollen

  6. Vul de lege plaats in met de juiste vorm van "haben": "Wir _____ einen Hund."

    • Antwoord: ____
  7. Wat is de juiste vervoeging van "sein" in de tweede persoon meervoud? A. Seid
    B. Sind
    C. Ist
    D. Bist

  8. In de zin "Du bist sehr freundlich.", wat betekent "bist"?

    • Antwoord: ____
  9. Kies de juiste vorm van "haben" voor de zin: "Ich _____ ein neues Auto." A. haben
    B. hat
    C. habe
    D. habt

  10. Wat is de juiste vervoeging van "sein" in de eerste persoon meervoud? A. Sind
    B. Seid
    C. Bin
    D. Ist

  11. Vul de lege plaats in met de juiste vorm van "sein": "Sie _____ sehr intelligent."

    • Antwoord: ____
  12. In welke zin is "haben" incorrect gebruikt? A. Ich habe Zeit.
    B. Er bestanden die Prüfung.
    C. Sie haben ein Haus.
    D. Wir haben ein Projekt.

  13. Wat is de verleden tijd van "sein" in de eerste persoon enkelvoud? A. War
    B. Seid
    C. Wurden
    D. Ist

  14. Vul de lege plaats in met de juiste vorm van "haben": "Ihr _____ viele Möglichkeiten."

    • Antwoord: ____
  15. Welke van de onderstaande zinnen bevat een fout in de vervoeging van "haben" of "sein"? A. Ich bin hier.
    B. Sie hast einen Plan.
    C. Wir sind glücklich.
    D. Du hast recht.

Einde van de quiz

Zorg ervoor dat je je antwoorden controleert voordat je je quiz inlevert! Succes!